GESCHRIFTEN

Op deze pagina vindt u een aantal verhaaltjes, die wel of niet waargebeurd zijn.

Open eind.

Ik nam plaats.
De trein raasde door de nacht. Het zachte geruis en het tikken van regendruppels tegen het gesloten kiepraampje, kalmeerden me. In de verte zag ik het silhouet van een kasteelruïne. Dichterbij het voorbijrazen van struikgewas, afgewisseld door boerderijen waar het meestal donker zag achter beslagen ruiten, doch waar zo nu en dan nog een haard brandde. De vrouw tegenover me was gehuld in een lange, zwarte wollen jas en droeg een sjaal over haar hoofd. Motteneitjes rammelen bij iedere beweging vanuit haar broekspijpen naar beneden en verspreiden zich over de vloer en haar schoenen. Onwillekeurig wiebel ik mijn gekruiste benen wat verder bij de hare vandaan.
Ondanks de almaar stromende regen tuurde de maan naar de aarde via een klein gaatje in de wolken, dat speciaal voor haar leek te bestaan. Wonderbaarlijk, dacht ik. En ik zag dat de vrouw hetzelfde dacht.
“Wonderbaarlijk, of niet?” zei ik zacht. Te zacht, want ze vroeg me het te herhalen.
“Als ik zo de wereld bezie, kan ik alleen maar dankbaar zijn. Overdag zie je alleen de modder, maar in dit schijnsel is iedere druppel een vallende ster.”
“Reist u ver, mevrouw…?”
“Noem me zoals ik u voorkom, mijn naam ben ik vergeten. Mijn reis is inderdaad ellenlang. Jaren geleden kocht ik een retourkaartje, maar ik ben nooit uitgestapt. Wanneer de conducteur komt zegt hij altijd… o daar komt hij al, u zult het wel zien.”
Met de grootst mogelijke moeite wrong de conducteur zich door de klemmende wagondeur.
“Kaartjes!” riep hij onnodig hard, met zijn hoofd nog naar de deur gekeerd, die hij trachtte te sluiten. Toen hij zich omdraaide zag hij dat er niemand was om zijn kreet te rechtvaardigen en liep hij balancerend tussen de stoelleuningen op ons af.
“Zo mevrouw, heeft u eindelijk een man gevonden? Geeft u toch uw kaartje, u weet, het is mijn plicht om dit te vragen.”
De vrouw graaide in haar jaszak. Er verschenen snippertjes die ze in haar andere hand verzamelde. Ze toonde dit stapeltje aan de conducteur, die er met zijn kniptang in kneep. “En u, meneer. Heeft u ook een kaartje?”
Bevangen door het voorgaande ritueel, pakte ik mijn portemonnee en gaf deze in het geheel aan de conducteur, die er een paar muntstukken uithaalde en deze in zijn heuptas stak.
“Dat kaartje komt morgen wel meneer. Fijne reis nog!”
Ik bedankte hem in gedachten terwijl de conducteur op een drafje naar de deur was gelopen en daar hard tegenaan begon te bonken. Een ruit brak, waardoor het krijsende geluid van de buitenruimte tussen de wagons zich naar binnen drong. “Reizigster, ik noem u reizigster! Komt u met mij mee naar een andere wagon? Deze herrie kan ik niet tot de ochtend verdragen, ik zou graag nog wat slapen.”
“Geen zorgen, zo gaat het altijd. Die deur is verrot. Meneer de conducteur is al een nieuwe ruit halen, die zal hij er zometeen inzetten en dan is het weer rustig. U bent vrij om naar een andere wagon te gaan. Ik zal u echter niet volgen. Een prettigere plek dan deze is er niet. Hier is het goed. Maar wacht nog even. Wanneer die ruit er weer in zit, zult u niet anders wensen dan dat u morgen wederom van dit lawaai over mag gaan naar het kalme suizen van de nacht.”
Ik zei niets terug. Ongeduldig keek ik over mijn schouders om te zien of er al werk werd gemaakt van de overlast. Even maakte ik mezelf wijs dat ik op zou staan en in een andere wagon verder zou reizen. Ik spande zelfs mijn benen in, leunde naar voren, kwam iets naar boven, maar plofte mezelf toen toch weer neder. Er was iets aan die vrouw, die daar in alle rust tegenover mij zat, dat mij ervan weerhield om haar hier achter te laten. Ik moest meer over haar te weten komen, over haar, haar reis en waar die eindigt. Ik denk dat ze mijn nieuwsgierigheid aanvoelde, want ze begon, nadat ik onrustig het kiepraampje openpeuterde en meteen weer sloot vanwege de frisse bries, uit haarzelf te vertellen.
“Zie je dat kasteel, daar bovenop die heuvel?” Het was dezelfde ruïne als die ik eerder zag, maar nu vanuit een ander perspectief en boven alles verheven. “Daar wil ik graag naartoe. Ik heb het aan de conducteur gevraagd. Hij zei: “Als u maar lang genoeg blijft zitten, zult u vanzelf aankomen.” Sindsdien heb ik gemerkt dat het waar is. U zult het wel zien. Het kasteel komt steeds dichterbij. Het is prachtig, niet? Eerst kende ik het alleen van een boekje dat hier in de trein lag. Toen zag ik het aan de horizon. En nu moeten we met onze neuzen tegen het raam zitten om het daar in de hoogte te kunnen zien.”
“Het spijt me te moeten zeggen, maar dat is toch waarlijk onmogelijk. De helling is veel te stijl voor een treinspoor. En daarnaast, we rijden er nu dan wel langs, maar ik ben onderweg naar de Noordzee.”
Ik keek de reizigster gespannen in de ogen om te zien hoe ze hierop zou reageren, maar ze glimlachte en vlijde tegen de wand van de trein, haar hoofd tegen het raam rustende zodat ze gemakkelijk naar boven kon kijken. Ondertussen dempte alle geluiden en werd het stil als de dood. Het contrast kon niet groter tussen het piepen, het gillen van het spoor en het trage tikken van haar vingernagels tegen het raam. Toen ik omkeek naar de deur, zag ik het achterhoofd van de conducteur door het nieuw-gezette ruitje. Hij keerde zich om en zag dat ik keek, fronste met zijn wenkbrauwen en toonde zijn opgestoken duim.

31-1-2026

Weet u zeker dat u alweer terug wil naar de HOOFDPAGINA?